vonnis van de rechtbank van 1ste aanleg in de zaak project Bredabaan 407

Punt toegevoegd aan de agenda op verzoek van L. Sevenhans, namens de Vlaams Belang-fractie, nopens de toelichting in commissie van 17 januari door Mr. Sebreghts over het vonnis van de rechtbank van 1? aanleg in de zaak project Bredabaan 407.

Provincie ANTWERPEN

 

Gemeente BRASSCHAAT

 

UITTREKSEL uit de notulen van de Gemeenteraad

 

Zitting van 25/01/2007

 

Aanwezig:

F. Van Aperen, voorzitter;

D. de Kort, burgemeester;

M. Van Honste, J. Casaer, B. Van Deuren, J. Konings, K. Geysen, J. Jambon, S. De Roeck en B. Brughmans, schepenen;

F. Van Bergen, L. Sevenhans, H. Lauwers, H. Vanderbecken, W. Van der Steen, M. Soetens-Van de Vijver, D. Hoegaerts, C. Decleer, P. Hubrechts, W. Van Gastel, A. Van Mechelen, R. Van der Linden, W. Maes, K. Geubels, M.A. Naudts-Coppens, G. Smets, H. Leemans, E. Heirman, F. Germain, K. Spitaels, S. Broos, H. Peeters en B. Ophoff, leden;

W. Hofkens, secretaris.

 

Afwezig: geen.

 

 

053.

Punt toegevoegd aan de agenda op verzoek van L. Sevenhans, namens de Vlaams Belang-fractie, nopens de toelichting in commissie van 17 januari door Mr. Sebreghts over het vonnis van de rechtbank van 1? aanleg in de zaak project Bredabaan 407.

 

DE GEMEENTERAAD

 

Hoort de opmerking van L. Sevenhans dat hij het gewaardeerd heeft dat door Mr. Sebreghts een toelichting werd gegeven over het voormelde vonnis van de rechtbank van eerste aanleg; dat Mr. Sebreghts hem aan het twijfelen heeft gebracht; maar dat hij bij nalezing van het vonnis heeft vastgesteld dat hij het bij het rechte eind had; dat namelijk in haar uitvoerig vonnis van 18 oktober 2006 in de zaak ?project gebouw kerkplein? de Achtste B kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen duidelijk uitspraak heeft gedaan over de reeds jaren aanslepende klacht over de vermeende bouwovertreding: ?vermits het gebouw in de hernieuwde versie van dit BPA gelegen is op een terrein, dat beschreven staat als een plaats bestemd voor openbare bibliotheek, winkelcentrum en appartementen en juist niet langer ingekleurd is als plaats bestemd voor openbare gebouwen en voor gebouwen met publieke bestemming, is de rechtbank van oordeel dat in casu geen toepassing kan gemaakt worden van het artikel 6 BPA, dat enkel voorziet in afwijkingen voor openbare gebouwen en voor gebouwen met publieke bestemming. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in casu op een oneigenlijke en onwettige wijze toepassing werd gemaakt van artikel 51 van de stedenbouwwet, vermits de beoogde wijziging van de bouwhoogte, waardoor het aantal bouwlagen tevens werd verhoogd, raakt aan de essenti?le gegevens van het BPA?. ??uit hetgeen voorafgaat, blijkt dat de gemeente Brasschaat wederrechtelijk een afwijkingsbeslissing ex art. 51 van de stedenbouwwet heeft genomen en ten onrechte (zonder een wettige bouwvergunning voor de hoogte boven de 16,05 m) een gebouwencomplex heeft opgetrokken tot op een bouwhoogte van 18,90 meter (zijnde de pas van de bovenste verdieping).?;

Hoort verder L. Sevenhans die aanvoert dat het duidelijk is dat Mr. Sebrechts gewoon kwam stellen dat artikel 6 moest toegepast worden in plaats van artikel 51, vergetende dat dit argument reeds was verworpen door de rechtbank en dus geen nieuw argument; dat de uitspraak van de rechtbank dus stand blijft houden;

Hoort de vraag van L. Sevenhans welke stappen het college zal en kan nemen om in een wettelijke toestand te komen; dat hij meent dat er nood is aan een verder onderzoek en dat er een probleem is; dat hij zich afvraagt of deze aangelegenheid niet in een technische commissie kan onderzocht worden om het probleem wettelijk op te lossen;

Hoort het antwoord van M. Van Honste, schepen, dat zij het betreurt dat het geachte raadslid dit dossier in openbare vergadering brengt nadat vorige week tijdens de commissievergadering uitvoerig toelichting werd verstrekt door de raadsman van de gemeente over de stand van zaken in dit dossier; dat zij de mening is toegedaan dat het niet in het algemeen belang is om hier in het openbaar een discussie te gaan voeren over een zaak tussen een individuele burger en de gemeente die nog volop hangende is en waarin zelfs geen eindvonnis in is; dat op die manier alleen maar angst wordt gezaaid; dat zij ten behoeve van het geachte raadslid duidelijkheid wil scheppen in de stand van zaken tot op heden, ook om alle tegenstrijdige en foutieve berichtgevingen tegen te gaan; dat zij daartoe een analyse zal maken van het dossier en vonnis dat vandaag voorligt; dat in 2003 de gemeente gedagvaard werd voor de burgerlijke rechter door eigenaars van een pand gelegen Door Verstraetelei 37; dat er voordien in de administratieve procedure reeds was geoordeeld dat er geen bouwinbreuken waren ten overstaan van de verleende bouwvergunning; dat de eisers in de burgerlijke zaak hun vordering baseerden op basis van onrechtmatige daad, zijnde artikel 1382 B.W., ondergeschikt op basis van burenhinder, artikel 544 B.W.; dat betrokkenen schadevergoeding vorderden wegens waardevermindering van hun eigendom en wegens genotsderving; dat men tevens een herstel in de oorspronkelijke toestand vorderde en volledige afbraak van dit gebouw op straffe van een dwangsom en zelfs het recht om dit gebouw zelf te laten afbreken op kosten van de gemeente; dat de gemeente dan een raadsman gespecialiseerd in Stedenbouw heeft geraadpleegd, Mr. Hugo Sebreghts; dat zij de mening is toegedaan dat de gemeente in zulke zaken dan ook volledig kan en moet vertrouwen op de specialisten ter zake; dat er een uitspraak is geweest in eerste aanleg op 18 oktober door de alleenzetelend rechter van de 8 ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen; dat het hier wel duidelijk gaat om een vonnis in eerste aanleg, dat niet betekend is en wat dus betekent dat het nog steeds geen kracht van gewijsde heeft en dus ook geen rechtsgevolgen;

Hoort verder het antwoord van M. Van Honste, schepen, dat als zij de inhoud van het vonnis leest in het gedeelte dat het geachte raadslid situeert, dan is de rechter in haar motiverend gedeelte de mening toegedaan dat er op een oneigenlijke en onwettige wijze toepassing werd gemaakt van artikel 51 van de Stedenbouwwet; dat het geachte raadslid ook eens de volledige tekst moet lezen; dat in punt 4.3.5. de rechter uitlegt wat de gevolgen hiervan zijn; dat zij stelt dat dit niet kan leiden tot een vernietiging van de bouwvergunning; dat de bouwvergunning dus blijft bestaan; dat alleen tussen de partijen in het geding de bouwvergunning niet wordt toegepast; dus als niet bestaande wordt beschouwd; dat er uitdrukkelijk staat dat de beslissing aldus wel verder blijft bestaan en in een ander geding tussen partijen dus nog wel kan worden toegepast; dat dit wel een beetje een vreemde redenering is; dat het enkel en alleen in dit geschil is dat de rechtbank de bouwvergunning niet toepast, dat ze ze niet vernietigt, dat de rechtbank zelfs zegt dat zij uitdrukkelijk nog kan worden toegepast in een ander geschil; dat de rechter (in eerste aanleg) van oordeel is dat er destijds ten onrechte een afwijkingsbeslissing zou genomen zijn overeenkomstig artikel 51 maar tegelijkertijd stelt dat de bezwaren van de eisers niet van dien aard zijn dat zij schade vertegenwoordigen omdat hun woning 80 meter van het complex ligt, het uitzicht reeds belemmerd wordt door het tussenliggende parochiecentrum en er evenmin een bewijs van minwaarde voorligt; dat de vordering tot schade en afbraak dan ook resoluut wordt afgewezen; dat met andere woorden de vordering van de eisers over de hele lijn ongegrond wordt verklaard;

Hoort verder het antwoord van M. Van Honste, schepen, dat het volgens haar dan ook niet in het algemeen belang is om in deze zaak dan ook maar te overwegen tot een minnelijke schikking te komen; dat vorige week tijdens de commissievergadering Mr. Sebreghts zijn standpunt over het vonnis is komen toelichten; dat zij een specialist ter zake niet gaat tegenspreken; dat Mr. Sebreghts van oordeel is dat de rechter zich vergist en een verkeerde toepassing maakt van artikel 6 en alleen maar van toepassing acht op de bepalingen van artikel 4; dat dit heel onlogisch is want als artikel 6 alleen maar van toepassing zou zijn op artikel 4 dan zou dit vermeld staan in artikel 4; dat met andere woorden artikel 6 duidelijk slaat op alle voorgaande artikelen en dus niet alleen betrekking heeft op artikel 4 maar ook op artikel 5; dat wat Mr. Sebreghts heeft willen duidelijk maken het volgende is, artikel 6.1 gaat over afwijkingen voor bijzondere gebouwen, van de bepalingen van voorgaande artikelen (daar staat niet van artikel 4 of van artikel 5 maar van de voorgaande artikelen) en dat van de aanduidingen op het plan afwijkingen kunnen worden toegestaan voor openbare gebouwen en voor gebouwen met publieke bestemming; dat door dit artikel men zelfs artikel 51 van de Stedenbouwwet niet had moeten toepassen; de voorschriften voorzien zelf in de mogelijkheid tot afwijking doordat uitdrukkelijk voorzien was dat voor ?gebouwen met een publieke bestemming? kan afgeweken worden; dat Mr. Sebreghts uitdrukkelijk heeft gezegd dat de rechtbank zich heeft laten misleiden en zich geen rekenschap heeft gegeven van het feit dat het gebouw er een van openbaar nut is; dat er momenteel een uitspraak is die nog niet in kracht van gewijsde is, dus nog zonder rechtskracht of zonder enig gevolg; dat het bestuur dan ook meent ten volle te moeten vertrouwen op het deskundige advies van Mr. Sebreghts en dat er momenteel niets anders opzit dan het standpunt van de tegenpartij af te wachten; dat Brasschaat tot niets wordt veroordeeld noch tot afbraak, noch tot enige schadevergoeding; dat de gerechtelijke procedures moeten gevolgd worden tot dat er een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest volgt; dat hier verder openbaar over discussi?ren of een standpunt innemen, het algemeen belang, wat toch de gemeente moet dienen, zou kunnen schaden in het voordeel van een individueel belang; dat zij dus hierbij de discussie dan ook zou willen afsluiten;

Hoort L. Sevenhans die aanvoert dat de schepen stelt dat de rechter zich vergist heeft en dat de rechter misleid is geweest; dat hij in dit verband nogmaals wil verwijzen naar het betrokken artikel 6; dat hij geen uitspraak wil doen over de rechtszaak; maar dat er duidelijk iets is misgelopen; dat hij zich afvraagt of dit niet kan rechtgezet worden;

Hoort de tussenkomst van H. Lauwers die zich afvraagt of de huidige uitspraak het voorwerp kan uitmaken van een kanttekening op het hypotheekkantoor;

Hoort L. Sevenhans die erop wijst dat hij heeft gehoord dat de eigenaars wel problemen krijgen waneer zij hun eigendom willen verkopen; dat zolang er niets ondernomen wordt, het dossier blijft aanslepen; dat als het bestuur recht in zijn schoenen stond het toch actie zou kunnen ondernemen;

Hoort het antwoord van M. Van Honste dat ze de analyse van de uitspraak van de rechter geeft gemaakt;

Hoort L. Sevenhans die beklemtoont dat er een probleem is en dat daar iets moet aan gebeuren;

Hoort het antwoord van M. Van Honste dat het geachte raadslid onrust zaait daar waar er geen reden toe is en be?indigt hiermede de behandeling van deze aangelegenheid.

 

Gedaan in zitting datum als boven.

 

De Secretaris,                                                              De Voorzitter,

(w.g.) W. Hofkens                                                        (w.g.) F. Van Aperen

 

VOOR EENSLUIDEND UITTREKSEL:

 

De Secretaris,                                                              De Burgemeester,

 

 

 

 

W. Hofkens.                                                                D. de Kort.

 

 

 

Misschien bent u ook geïnteresseerd in ...